Ben ik dan toch in de Mind Movie getrapt?

Deze blogpost is deel 15 van 15 in de reeks Gewoontes

Leo Babauta noemt in Zen habits – Mastering the art of change de Mind Movie als het grootste probleem bij het aanleren van nieuwe gewoontes of juist het afleren van bestaande. De mind movie is het beeld van je ideale zelf; maar zoals ik vijf jaar geleden al schreef: de werkelijkheid is een stuk weerbarstiger. Als je net begint met hardlopen, speel je in je mind movie al de rol van volleerd hardloper. Dit kan motiverend werken – bijvoorbeeld bij reverse engineering: daar wil ik komen; welke stappen moet ik daarvoor zetten? – maar de mind movie kan ook tegen je werken.

Kijk maar: die gruwelijke blaar op je grote teen? Die zat niet in de mind movie; in je mind movie loopt alles op rolletjes; ben je niet bekaf na slechts vijf minuten rennen in wat eerlijk is eerlijk niet meer dan een sukkeldrafje was. De werkelijkheid wijkt dus nogal af van je projectie van die werkelijkheid. En daar zit het probleem. Doordat de werkelijkheid een stuk zwaarder kan zijn dan de bioscoopfilm daarvan, loop je het risico motivatieproblemen te krijgen; dat het moeilijk ging worden, zeiden ze er in de bioscoop niet bij.

Het is vergelijkbaar met de eeuwige discussie over of de bestemming van de reis belangrijker is of toch juist de reis zelf. De werkelijkheid valt weleens tegen als je een bestemming in je hoofd hebt maar vergeet dat je om die bestemming te bereiken (iedere dag) op stap moet.

Of zoals die quote die aan meerdere auteurs is toegeschreven:

I only write when inspiration strikes. Fortunately, it strikes at 9AM every morning.

En dat leek ik de afgelopen tijd te zijn vergeten.

Ik zag een eindbestemming; maar vergat dat er een hele reis aan voorafging. Volgens Babauta moet je je juist bewust zijn van die reis en ervan genieten. Maar goed, ik zag mezelf dus als (mede)vertaler van Mossyface en iedereen helpen met het vormen van nieuwe gewoontes, bijvoorbeeld omdat ze naar mijn mening mij hielpen tegen bijwerkingen van medicijnen. Kortom, ik zag mezelf al staan bovenop de Olympus. Aan de trainingsarbeid had ik even niet gedacht.

Wat ook niet hielp was dat mijn lijstje met dingen die ik elke dag wilde doen inmiddels meer dan tien items bevatte. Deels doordat het een jaarlijst betreft en er dus korte dingen op staan. Dat geeft veel demotiverende witte vlakken; want je hebt dat ene project wel even uitgesteld maar je wordt er toch maar mee geconfronteerd. Dus heb ik nu een lijstje tot en met eind oktober gemaakt met maar vier dingen.

Een tweede stap die ik heb gezet, is mijn gedachten wat meer op papier te krijgen dan alleen maar in mijn hoofd, met een to do lijst en een done-lijst. Maar daarover meer als ik een idee heb hoe het bevalt.

Achtergrond

In 2015 deed ik mee met een blogreeks van Peter Pellenaars over Zen Habits – Mastering the art of change. En ik schreef eind dat jaar een vervolgreeks over hetzelfde boek. Gewoontes bleken de afgelopen jaren nogal een invloed op mij te hebben gehad. Daarom nu een hernieuwd onderzoek met daarbij ook de boeken The power of habit van Charles Duhigg en Good habits, bad habits van Wendy Wood.

~~~

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

3 kwartier zitten? 1 kwartier bewegen

Begin dit jaar stond het display van de weegschaal op 87,1. Ik weeg me al een jaar of tien elke zaterdagochtend. Dat begon na mijn afstuderen omdat ik toen vond dat ik te zwaar was. Volgens mijn BMI klopte dat ook want ik woog 94 kilo. Dat was iets meer dan tien kilo te zwaar en dat zat me dwars. En het moment dat ik student af was, leek me een mooie gelegenheid om te zorgen dat er wat gewicht af ging en liefst zo veel dat ik onder een BMI van 25 uit zou komen. Nu hadden we al een aantal jaar een van de eerste boeken van Sonja Bakker in de kast staan en aangezien ik ooit voor een kennis een boek van Michel Montignac had meegebracht van de Deventer boekenmarkt en ik dat boek toen ook maar meteen zelf ook had gelezen en ik dat behoorlijk ingewikkeld vond terwijl het boek van Bakker er een stuk eenvoudiger uitzag en bovendien veel meer aansloot bij ons bestaande eetpatroon – onze porties waren met vaak twee keer opscheppen gewoon te groot – was de keuze voor het boek van Sonja Bakker snel gemaakt.

Een paar weken na mijn afstuderen begon ik en negen weken later woog ik 7,5 kilo minder; dus er was werk aan de winkel omdat ik dus nog van 2,5 à 3 kilo te weinig was kwijtgeraakt. Het bleek gelukkig vrij eenvoudig om ook zonder dieetboek te blijven afvallen. Het gezondere eetpatroon was gelegd en uiteindelijk stokte de teller medio 2012 op 73,2 kilo of daaromtrent – ik heb geen zin het nu op te zoeken. De laatste kilo’s gingen er heel gemakkelijk af door een manie. Maar het was ook die manie die ervoor zorgde dat de weegschaal weer de andere op begon te gaan omdat mijn medicatie flink werd opgehoogd en een van die medicijnen bij meer dan 1 op de 3 zorgt voor gewichtstoename en ik helaas tot die groep behoorde. Ik ging dus uiteindelijk in een jaar of zeven naar 87,1 kilo.

En dat zat me dus absoluut niet lekker; ik wist wel dat het vooral het medicijn was geweest dat voor die toename had gezorgd maar ik wist ook dat die medicijnen jammer genoeg een blijvertje zijn. Daar moest ik het mee doen en een beetje extrapoleren stemde niet tot tevredenheid; dan zou er ieder jaar 2 kilo bijkomen. Dat maakte me niet tot vrolijker, te meer omdat mijn wandelgewoonte sinds vijf jaar niet tot een gewichtsdaling had geleid of tot stoppen van de stijgende lijn want ook dat was paar jaar geleden ook nog een mooi resultaat geweest.

Nu zat ik aan het begin van dit jaar namelijk weer boven een BMI van 25. Toch maar weer Sonja Bakker erbij gemaakt. Niet al te strikt en het hielp dan ook maar een kilo of 3. Door opletten heb ik erg nog 2 kilo afgekregen maar daarmee lijkt de bodem in zicht. Ik zit weliswaar weer op een gezond gewicht maar ik wil graag een aantal kilo’s buffer hebben want ik weet inmiddels hoe verraderlijk de medicatie die ik slik, is.

Dus heb ik het volgende bedacht:

  • Iedere dag (een uur) blijven wandelen zolang het daglicht dat na mijn werk toelaat;
  • Blijven letten op eten en snacks
  • Drie kwartier zitten = 1 kwartier bewegen (van ‘s morgen 08:30 tot ‘s avonds 21:00). Al zat dat onder werktijd iets ingewikkelder zijn, maar ik ben van plan eerst een week uit te proberen of het iets is en ik heb nog een week vakantie.

Hopelijk gaan er daarmee nog een 2 kilo’s af dit jaar zodat ik dit jaar onder de tachtig eindig.

~~~

Afbeelding van Gino Crescoli via Pixabay

Waarom ik beter ga lopen van nieuwe hoorapparaten

linkerschoen

Mijn lichamelijke handicap zorgt ervoor dat ik niet zo netjes loop. Ik til mijn rechtervoet eigenlijk niet voldoende op en daardoor struikel ik regelmatig bijna. En gemiddeld één keer per jaar struikel ik echt. Dat komt enerzijds dus doordat ik mijn rechtervoet niet hoog genoeg optil en anderzijds doordat ik op mijn tenen loop. Dat klopt niet. Ik loop niet op mijn tenen maar als ik met rechts een stap zet, gaan mijn tenen omlaag. Mijn rechtervoet hangt na het optillen dus altijd schuin in de lucht, met de tenen richting de grond. Wat weer onhandig als je in een bos loopt want dan heb je altijd kans dat je een boomwortel tegenkomt waar je tenen dan lekker achter kunnen blijven haken. En als je dan pech hebt, ga je zandhappen en dat is precies wat me aan het begin van de zomer een keer overkwam.

Een ander probleem is dat ik moeite heb met afrollen. Ik klos met mijn rechtervoet. Die komt soms komt nogal hard neer. Nu loop ik wel regelmatig in een bos maar op stoepen kan het soms best vervelend zijn. Het zorgt ervoor dat mijn rechterknie extra zwaar belast wordt want die moet in zo’n geval de klap opvangen. Daar heb ik gelukkig nog geen last van maar dat wil ik wel zo houden en daarom let ik al een hele tijd op hoe ik mijn rechtervoet neerzet en ik heb het idee dat het effect heeft.

Wat is dat effect dan?

Ik loop soepeler, afrollen lukt steeds beter en ik land minder hard bij het neerzetten van mijn rechterbeen. En sinds een week heb ik dus flink sterkere hoorapparaten op proef en hoor ik alles iets luider. Gelukkig niet onaangenaam luider, maar wel luider dus. Maak ik dan een een misstap – klossen met mijn rechtervoet – dan hoor ik dat ook harder dan met mijn oude toestellen.

En dat weet ik weer om te zetten in extra motivatie om nog beter te letten op het neerzetten van mijn rechtervoet. Tot nu toe lukt dat naar tevredenheid want ik heb het idee dat minder vaak te hard neerkom op mijn rechtervoet. Zo zie je maar dat nieuwe hoorapparaten meer gevolgen hebben dan je in eerste instantie misschien zou denken. Ik had tenminste nog stilgestaan bij dit positieve effect.

Nieuwe schoenen

En misschien ga ik nog wel beter lopen. Want ik blijf er uiteraard op letten en dat zal hopelijk steeds meer effect sorteren, zeker als het een gewoonte wordt. Maar mijn orthopedische schoenen waren aan vervanging toe en ik was vanmorgen bij mijn schoenmaker en legde het probleem voor. Hij gaf aan dat hij voor iets meer demping in de schoenzolen kon zorgen. En de hakken aan de achterkant wat ronder maken zodat je bij het neerzetten makkelijker afrolt. Ik ben benieuwd: nog acht weken geduld.

Wat een gefluit

“Deze gaan het dus niet worden.” Dat zei ik aan het begin van de middag en met ‘deze’ verwees ik naar de nieuwe hoorapparaten die ik sinds vorige week op proef heb. Vorige week was ik nog zo enthousiast dat ik er Wat een geluid over schreef. Wat was er dan veranderd?

Het geluid is nog steeds prima, sommige mensen met een harde stem hoor ik zelfs zo luid en duidelijk dat ik mijn toestellen zachter moet zetten om te zorgen dat het aangenaam blijft klinken. Gelukkig gaat dat erg gemakkelijk en onopvallend met een app op mijn telefoon. Toch werd me vorige week al snel een probleem duidelijk. Als ik aan het aanrecht koffie zette, als ik sowieso aan het aanrecht stond, als ik op de badkamer voor de wastafel stond, op het toilet. In al die gevallen – en ik ben nu niet eens volledig – floten mijn nieuwe toestellen. Rondzingen is de officiële term.

Ontzettend vervelend want het fluiten ging hard en hield in zo’n situatie bijna continu aan. Wat ik ook probeerde, het hielp allemaal niet. Ik draag al meer dan dertig jaar gehoorapparaten dus ik ben bekend met fluitende toestellen, maar dit was mij te machtig dus er zat niets anders op dan een afspraak te maken met mijn audicien.

“Helemaal weg gaat waarschijnlijk niet lukken.”

Daar kon ik vanmorgen terecht. Bij het instellen van de toestellen vorige week hoorde ook een onderdeel voor het bestrijden van gefluit. Vanmorgen werd dat verder opgerekt. Maar eerst werd naar mijn oren gekeken – niet verstopt – en mijn oorstukjes – in orde. Dus werden de toestellen gekoppeld aan de computer en werd er verschillende keren een ruis afgespeeld om de toestellen zo scherp mogelijk anti-rondzingen af te stellen. De audicien zei er al vrij snel bij dat helemaal tegengaan waarschijnlijk niet zou lukken vanwege mijn gehoorgang.

Uiteindelijk leek het verbeterd te zijn en besloten we dat ik het maar moest gaan proberen, hoewel het – dat had ik al uitgeprobeerd – niet helemaal over was.

Thuisgekomen liep ik natuurlijk meteen naar de wastafel in de badkamer. En helaas. Piep, fluit. Nog een keer proberen. Zitten de oorstukjes goed? Nog een keer aandrukken. Het hielp niets.

Vandaar mijn conclusie: deze worden het niet.

En toch zijn deze toestellen nog steeds in de running. Hoe dat kan?

Ik vertrouwde het niet helemaal want ik vond dat ik op de badkamer wel erg ver van de muur afstond terwijl de toestellen wel floten. Dus besloot ik de proef op de som te nemen. Ik deed mijn rechterstoestel uit en stond met links zeker een meter van de muur. En toch hoorde ik gefluit.

Dat kon dus niet en we gingen er nog eens over nadenken. Het was me vorige week bij het aanmeten al opgevallen dat mijn oorstukjes een iets andere vorm hadden dan die bij mijn oude toestellen. En ze zaten af en op het oog wat vreemd. Je kon er soms met je vinger achter terwijl ze in het oor zaten. Kon het dus aan die nieuwe oorstukjes liggen? Er was een eenvoudige manier om daar achter te komen en ik had niets te verliezen. Ik haalde mijn oude toestellen erbij en liet de oorstukjes die daaraan zaten op de nieuwe toestellen zetten.

En met die combinatie van oude oorstukjes en nieuwe gehoorapparaten ging ik naar de badkamer. Geen gefluit. De hele rest van de dag eigenlijk niet. Nou, ja ik kan het natuurlijk opzoeken door mijn hand binnen vijf centimeter van een toestel te houden. Maar verder? Nauwelijks. Net bij het koffiezetten twee keer kort en zacht. Vanmiddag ging het wel helemaal goed met koffiezetten terwijl het daarvoor een week een drama was.

Vandaar dus. Ik ben er misschien nog niet helemaal maar deze toestellen zijn absoluut nog in de race. Wordt vervolgd.

~~~

Afbeelding van Mabel Amber via Pixabay

Good habits, bad habits – Wendy Wood. Deel 1: hoe we echt zijn

Deze blogpost is deel 14 van 15 in de reeks Gewoontes

Veel van wat er in het eerste deel (How we really are) van Good habits, bad habits van Wendy Wood te lezen valt, komt niet als een verrassing als je eerst The power of habit van Charles Duhigg hebt gelezen. Over al die dingen ga ik het niet hebben. Wat mij wel opviel was de marshmellow test. Zoals Wood al opmerkt is die test gemakkelijk te vinden op YouTube. Het komt hier op neer: kinderen werden een kwartier alleen gelaten met een marshmellow. Ze kregen te horen dat ze die niet op mochten eten en dat ze er na een kwartier nog eentje kregen als ze de eerste marshmellow niet op hadden gegeten. De meesten konden de verleiding niet weerstaan en aten de marshmellow op en kregen er dus geen twee.

Dit onderzoek stamt uit 1970. Uit vervolgonderzoek bleek dat kinderen die de verleiding konden weerstaan en dus twee marshmellows kregen, succesvoller waren in hun latere leven. Ik ben blij dat ik nooit aan een marshmellow test heb blootgestaan. Het lijkt me nodeloos stigmatiserend. Kun je verleidingen weerstaan? Dan ben/word je succesvol.

Verleidingen weerstaan = veel zelfbeheersing?

Voor zelfbeheersing blijkt een schaal te zijn die in veel onderzoeken wordt gebruikt. En de suggestie was dat als je veel verleidingen kunt weerstaan, je hoog scoorde op zelfbeheersing. Gelukkig blijkt uit onderzoek uit de 21e eeuw dat het zo simpel niet is. Men ging er vanuit dat mensen die succesvol waren in het leven goed waren in zelfbeheersing. Net als de kinderen die twee marshmellows kregen. Ze waren door hun zelfbeheersing in staat om al die (bijvoorbeeeld) dikmakende verleidingen te weerstaan; die treurbuis te laten voor wat ie is, of weinig social media gebruiken.

Ontzettend knap van die mensen. Totdat uiteindelijk in 2012 ook dit werd onderzocht. Mensen die hoog scoorden op een test voor zelfbeheersing en mensen die daar laag op scoorden; werd gevraagd om te rapporteren hoe vaak zij aan verleidingen bloot stonden. Alle deelnemers aan het onderzoek moesten de zelfbeheersingstest maken. Daarna kregen ze via een pieper gedurende een dag zeven keer een piepje te horen. Als ze het voorbije uur een verleiding hadden gevoeld, moesten ze dat opschrijven. Ze moesten ook opschrijven of ze die verleiding wel of niet hadden weten te weerstaan.

Wat bleek?

Mensen die laag scoorden op de zelfbeheersingstest moesten veel verleidingen rapporteren en hadden de grootst mogelijke moeite ze te weerstaan. Aan de andere kant: mensen met een hoge mate van zelfbeheersing rapporteerden juist veel minder verleidingen waaraan ze het hoofd moesten bieden. Ze voelden eenvoudigweg de verleidingen niet die diegenen met een lagere zelfbeheersingsscore niet konden weerstaan.

En dat vond dus een interessant punt: dat verleidingen goed kunnen weerstaan weleens kon betekenen dat je de verleiding sowieso al niet eens voelde.

In het verlengde daarvan: mensen die al die verleidingen niet hoefden te weerstaan bleken veel meer dingen te doen zonder erbij te hoeven nadenken en bleken dus ook nog beter in gewoontevorming. Hoe je dat dan doet volgens Wendy Wood bekijken we morgen. Dat wordt dus later vandaag want het lukte me gisteren niet meer deze post nog online te zetten.

Achtergrond

In 2015 deed ik mee met een blogreeks van Peter Pellenaars over Zen Habits – Mastering the art of change. En ik schreef eind dat jaar een vervolgreeks over hetzelfde boek. Gewoontes bleken de afgelopen jaren nogal een invloed op mij te hebben gehad. Daarom nu een hernieuwd onderzoek met daarbij ook de boeken The power of habit van Charles Duhigg en Good habits, bad habits van Wendy Wood.

~~~

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

The power of habit (Charles Duhigg) of Good habits, bad habits (Wendy Wood)

Deze blogpost is deel 13 van 15 in de reeks Gewoontes

Het boek Good habits, bad habits is verdeeld in drie delen van elk vijf hoofdstukken. Daarna volgt nog een epiloog waarin bekeken wordt hoe het behandelde kunt toepassen bij het afleren van een slechte gewoonte. In dit geval gaat het om te vaak op je smartphone kijken. Daar heb ik zelf al een tamelijk effectieve methode voor gevonden dus die epiloog ga ik niet behandelen.

Wat ik ook niet ga behandelen, is heel het boek. Ik ga geen samenvatting schrijven. Wendy Wood houdt zich als professor bezig met gewoontes en zij beschrijft in haar boek veel van haar onderzoek en dat van anderen. Natuurlijk kan ik daar prima een samenvatting van schrijven maar daar heb ik geen zin in. Lees dan zelf het boek maar. Het is trouwens ook in het Nederlands verschenen: Gelukkig met gewoontes. Wat ik wel wil doen zijn per deel aantal een aantal losse punten aanstippen die mij opvielen. En daarna misschien nog checklists goede en slechte gewoontes. In het laatste geval natuurlijk afleren.

Als je het boek vergelijkt met dat van Duhigg, The power of habit dan valt meteen op dat de vele schematische tekeningetjes uit dat boek in dat van Wood ontbreken. Verder lijken de boeken inhoudelijk op elkaar. Duhigg kiest voor een eenvoudig model, hoewel hij wel oog heeft voor de haken en ogen die eraan kleven. Wood benoemt die problemen wat explicieter. Ik moet daarbij wel opmerken dat toen ik het boek van Duhigg voor de eerste keer las, ik niet op zoek was naar probleemsituaties als stress en dergelijke maar dat deze bij herlezing wel opvallen. Maar ze zitten dus niet in zijn schema’s. En ook niet in die van Wood, want haar boek bevat sowieso geen schema’s.

Al met al denk ik dat zowel het boek van Duhigg uit 2012 – het is in bepaalde kringen niet voor niets een soort van klassieker – als dat van Wood uit 2019 aan kunnen zetten tot het vormen van nieuwe gewoontes of juist het afleren. Maar je zult wel aan de moeten; je wordt niet bij de hand genomen zoals dat bij Leo Babauta wel het geval is. Over zijn methode waarschijnlijk later in deze serie toch nog wat meer.

Duhigg en Wood kiezen voor een meer wetenschappelijke benadering dan Babauta. Neem je de moeite met hun boeken aan de slag te gaan, liefst elke dag, dan heb je zeker kans dat je in je missie gaat slagen. Distilleer een soort actieplan uit het boek van je keuze en ga aan het werk. Dat actieplan zit al deels in de schema’s van Duhigg en die tekeningetjes heb ik ook als basis gebruikt voor mijn posts het aan- en afleren van gewoontes volgens de methode van Duhhigg. Lukt het met die schema’s niet naar wens dan kan het de moeite zijn om het boek er nog eens bij te pakken. Er staat volgende in over stress of over waarom zijn vier elementen van gewoontes wel of niet werken.

Bij Wood moet je zelf je schema gaan maken; maar het voordeel daarvan is dat je blik ook sneller gericht is op probleemkwesties. Je moet immers actiever met de tekst aan de slag en je zou dus alle factoren die volgens haar een rol spelen bij gewoontes op een rij kunnen zetten en jezelf afvragen welke rol die voor jou spelen. Dat is precies wat ik de komende dagen van plan ben.

Achtergrond

In 2015 deed ik mee met een blogreeks van Peter Pellenaars over Zen Habits – Mastering the art of change. En ik schreef eind dat jaar een vervolgreeks over hetzelfde boek. Gewoontes bleken de afgelopen jaren nogal een invloed op mij te hebben gehad. Daarom nu een hernieuwd onderzoek met daarbij ook de boeken The power of habit van Charles Duhigg en Good habits, bad habits van Wendy Wood.

~~~

Afbeelding van RGY23 via Pixabay

Wat een geluid

Aan het begin van de lockdown waren mijn hoorapparaten vijf jaar oud. Dat betekende dat ik weer recht had op nieuwe. Dat leek me ook wel enigszins nodig want ik schakelde het volume van mijn toestellen eigenlijk elke dag een stand hoger. En dat al een jaar of twee, drie. Ik had al eens geprobeerd om de toestellen opnieuw in te laten stellen maar omdat ik toen helaas net tinnitus begon te ontwikkelen, lukte dat niet en liet ik het maar zo en bleef ik de volumeknop gebruiken.

Maar ik wist dat ik zo rond maart dit jaar uit kon gaan kijken naar nieuwe toestellen. Niemand had natuurlijk enig vermoeden van corona. Ik niet tenminste. Dus duurde het wat langer voor ik bij de audicien en later audioloog terecht kon. De audioloog bezorgde me ook nog eens een verrassing, maar echt aangenaam was die niet. Het was een uitgebreide gehoortest, daar lag het zeker niet aan. Wel kon mijn tinnitus dus een rol spelen. Als je op een knop moet drukken bij het horen van een pieptoon dan is het erg handig als je tinnitus ervoor zorgt dat je altijd een pieptoon hoort. Moet ik mezelf toch even corrigeren: in een rustige ruimte hoor ik piepjes. Thuis eigenlijk alleen als ik mijn toestellen uitdoe en naar bed ga. Gelukkig niet zo hinderlijk dat ze me uit mijn slaap houden. Ook bij de audioloog hoorde ik extra piepjes. De test werd namelijk afgenomen in een geluidsdichte cabine. En zie dan maar eens het verschil te maken tussen piepjes uit je eigen oor en piepjes uit de computer van de audioloog.

Toch had het niet alleen daarmee te maken dat de uitslag tegenviel. Ook bij spraakherkenning scoorde ik lager dan verwacht. Bij de nabespreking bleek het verschil met de vorige meting van vijf en een half jaar geleden groot. Zo groot dat ik klip en klaar te horen kreeg dat de toestellen die ik op dat moment droeg, niet meer voldeden bij mijn gehoorbeeld van dat moment. Of ze ik ze nou harder zette of niet, het maakte niet uit. Ik kon er simpelweg het bereik van het normale verstaan niet voldoende mee halen. Conclusie: ga van een categorie 4 toestel naar een categorie 5 toestel. Even voor de goede verstaanbaarheid: een categorie 5 toestel is het zwaarste toestel dat nog (voor 75%) door de verzekering wordt vergoed.

Daar zat ik dan met mijn goede gedrag. Hoorde ik dan echt zo slecht? Ik ging erover nadenken en erop letten. Ja, ik miste regelmatig wat maar zelfs mensen in mijn directe omgeving hadden het niet gemerkt en waren verrast. Ik besloot gewoon af te wachten wat mijn categorie 5 toestellen zouden brengen.

Het werd ongeduldig afwachten, maar vanmorgen was het dan eindelijk zover. Ik kon mijn categorie 5 toestellen ophalen, ze werden ingesteld en ik kreeg ze mee op proef. Om 9:30 was de afspraak en om 10:00 stond ik weer buiten. En? Er ging nou niet direct een wereld voor me open, maar de audioloog had zich zeker niet vergist. Na zo’n halve dag merk ik dat ik meer dingen hoor – meer vogels -, meer volume bij zo ongeveer alles. En: belangrijkste, ik versta beter, zelfs in de auto. Dat is normaal een groot probleem. Natuurlijk versta ik geen 100 procent – wie wel? – maar wel veel meer dan met de toestellen die ik tot vanmorgen droeg.

Het is duidelijk nog te vroeg voor conclusies maar een eerste bescheiden tussenbalans kan ik wel opmaken: wat een geluid!

~~~

Afbeelding van Clker-Free-Vector-Images via Pixabay

Paul van het 266e

Paul van het 266e

In deze bijzondere blogpost, mijn 266e, aandacht voor een hobby die me al zo veel langer plezier oplevert dan dit blog. Ik blog al acht jaar maar Biggles is al veel langer in mijn leven. Het lijkt me aardig om daar eens aan terug te denken, herinneringen op te halen en wie weet zelfs nog toekomstplannen te delen.

Het begon voor mij allemaal toen ik nog op de basisschool zat. Ik zat in groep zeven of acht toen mijn fysiotherapeute aan mij vroeg: “Paul, jij houdt van lezen, nietwaar?” Dat klopte. Mijn therapeute vervolgde: “Ik heb mijn zolder opgeruimd en kwam nog een stuk of twintig avonturenboeken van vroeger tegen. Die breng ik volgende week wel voor je mee.”

De week erop was ik heel blij want het was inderdaad een hele stapel. “Begin vooral met Biggles want die vond ik vroeger zo spannend. Als je van Arendsoog houdt, dan is dat vast ook wat voor jou.” Ik was razend benieuwd en zodra ik het boek waaraan ik bezig was uit had, pakte ik er Met Biggles in vijandelijk gebied bij en begon te lezen. Dat was op een vrijdagavond en zaterdag moesten mijn ouders weg. Ik zou naar mijn oom en tante gaan die een straat verderop woonden. Maar ik zat dus al de hele zaterdag te lezen en vergat alles; dus ook om naar mijn oom en tante te gaan. Pas toen mijn nichtje het keukenraam ongeveer ingeslagen had – de voordeurbel hielp niet – ben ik met boek en al meegegaan.

Toen kon ik me nog totaal geen voorstelling maken van de grote invloed die Biggles op mijn leven zou krijgen. Maar al in die eerste vijf Prisma Juniores ontdekte ik dat er veel meer Biggles-boeken waren en die wilde ik allemaal lezen. Want zo spannend en een deel van de verhalen speelden zich in de Eerste en Tweede Wereldoorlog af en dat wakkerde mijn interesse in geschiedenis aan, dus ik wist al snel dat ik ze wilde verzamelen. Ik had toen al een grotendeels complete Arendsoog-serie en ik vond en vind het leuk om boekenmarkten of (antiquarische) boekhandels af te struinen. Het was in een tijd dat wij nog geen internet hadden.

Dus antiquariaten en lokale boekenmarkten. Genieten. Dat deed ik ook van al die prachtige boeken die ik vond. Ik ontdekte al snel dat er naast de Juniores-serie ook een eigen Biggles-serie was met gruwelijk veel deeltjes. En dat er bij Uitgeverij Verba nog nieuwe heruitgaven bestonden. En in de wachtkamer bij de oogarts – de man heette toevallig ook Paul van der Werf – ontdekte ik ook de Biggles strips van Bergèse. Het werd steeds leuker.

Mijn verzameling groeide en het werd steeds moeilijk om ontbrekende deeltjes te vinden. Op een boekenmarkt had ik al ooit van de I.B.A. gehoord maar ik was nog geen lid geworden. Dat deed ik pas in de zomer van 1999. Ik had dat jaar eindexamen gedaan maar door ziekte was dat volledig mislukt. Toen ik in de zomer beter werd, wist ik min of meer dat ik het jaar erop wel slagen.

Dus besloot ik vooral ook leuke dingen te gaan doen in dat jaar. En wat was er nou leuker dan Biggles? Dus werd ik lid van de I.B.A. en maakte mijn serie compleet. En Biggles News Magazine viel ook in de smaak. En er waren twee van de niet in het Nederlands vertaalde Biggles-boeken te koop. Het leek me ook wel leuk om die te lezen.

En wat ik daarna bedacht, veranderde letterlijk mijn leven. Ik had op school regelmatig gehoord dat je met Grieks en Latijn als ondergrond alles kon doen met taal wat je maar wilde: wilde ik die boeken vertalen? Ja, dat wilde ik.

Dus ik zocht contact met de toenmalige voorzitter van onze vereniging, de helaas veel te jong gestorven Marvel M. Wagenaar-Wilm. Zij nog het net als ik al helemaal voor zich. Zij zou The boy Biggles als eerste vertalen als het aan haar lag. En dat boek had ik net gekocht dus ik begon enthousiast. En Marvel ging een uitgeverij zoeken. In 1999 heb ik zo een maand of drie vertaald tot het toch wel handig leek om mijn diploma te halen en ik het vertalen even liet liggen. Maar op de eerste vrijdag van augustus 2000 belde Marvel nog enthousiaster dan ik een jaar eerder had vertaald: ze had in Claude Lefrancq een uitgever gevonden. Vanaf dat moment zijn we met z’n tweeën aan de slag gegaan. Ik vertalen; samen corrigeren.

Ik zal nooit de Biggles-bijeenkomst van maart 2001 in Geldermalsen vergeten. Het was mijn eerste jaarvergadering en bijeenkomst: Marvel had er geheimzinnig over gedaan in BNM en in de Airmail. Er zou een aankondiging zijn. Alleen Marvel, het bestuur en ik wisten van de hoed en de rand. We fluisterden onhoorbaar; keken elkaar geheimzinnig aan: “Ben jij Paul?” Afijn, het grote nieuws was natuurlijk de aankondiging van Biggles en zijn basis. Honderd man ongeveer waren in juni 2001 bij de presentatie van dat boek.

Biggles-bijeenkomsten werden een traditie. Helaas inmiddels alweer bijna vijftien jaar zonder Marvel. Maar dankzij een groepje enthousiastelingen is Biggles News Magazine er nog steeds en zijn er inmiddels elf vertalingen verschenen waarvan acht volledig in eigen beheer bij onze vereniging. En we zijn druk bezig bezig met Mossyface en hebben plannen waar we nog nog jaren mee vooruit kunnen. Want ook dat is mooi aan onze vereniging. Marvel en ik zijn weliswaar ooit met vertalen begonnen: maar we wisten ook anderen voor die hobby te winnen. Prachtig. En u weet: de Gimlet-serie telt tien delen. Ideeën genoeg. Ook voor BNM.

In de titel van dit blog had u natuurlijk allang Biggles van het 266e herkend. De I.B.A. is mijn 266e. Vliegt u mee?

Meer informatie over Biggles en de International Biggles Association: www.biggles.nl.

Waarom ik geen boek schrijf

Vanmiddag stelde Martha Pelkman op Twitter de volgende vraag:

Stel….. Je wil een boek gaan schrijven. Je gaat zitten achter je laptop, vingers zweven boven je toetsenbord en dan… niets. Waar loop jij tegenaan als je een boek wil schrijven? Ik ben heel nieuwsgierig! Laat je een reactie achter?

Martha Pelkman (@DrsPee_) op Twitter.

Ik reageerde vrijwel direct en het paste maar net binnen de 280 tekens die Twitter een enkele tweet toekent. Dus besloot ik er dit blog aan te wijden.

Vroeger – toen ik nog voetbalde – stond ik ook al bekend als iemand die veel las. Waarschijnlijk lagen mijn kwaliteiten zelfs meer bij dat lezen dan bij het voetballen want het was mijn trainer die ooit tegen mij zei dat hij mij nog weleens een boek zag schrijven. Nou ging schrijven mij altijd wel redelijk makkelijk af en krijg ik ook met regelmaat te horen dat ik goed schrijf. Ik ben natuurlijk blij met zo’n complimenten en ik vind schrijven en bloggen ook gewoon geweldig leuk om te doen, zeker als ik het idee heb dat ik met mijn blog niet alleen iets voor mezelf verhelder, maar dat een ander er misschien ook iets aan heeft omdat hij of zij het ook kan lezen, vind ik helemaal prachtig.

Maar meer dan een blog? Een boek misschien. Geen fictie, dat ik duidelijk. Maar: ik denk er over na. Wie dit blog vaker leest, weet dat op mij de nodige labels te plakken zijn. Ik ga ze nu niet opnoemen maar een kleine zoektocht zal je duidelijk dat ‘beperking’ uit de titel van dit blog niet alleen van toepassing is op de onderwerpkeuze van dit blog. In mijn Twitter bio staat ook de term ervaringsdeskundige.

Van al die beperkingen heb ik in meer of mindere mate last. Ik krijg er hulp bij en ik hoop dat ik er ook over bijleer. Soms bekruipt me dan het gevoel dat ik de kennis die ik nu heb, graag eerder opgedaan had. Dat iemand mee een boek had gegeven: “Lees dit en voorkom een hoop ellende.”

Dat boek kreeg ik niet. Ik zal het zelf moeten schrijven, maar dat doe ik niet.

En wel hierom:

  1. Heb ik alles wel gelezen over het onderwerp?
    Natuurlijk weet ik dat dit ondoenlijk is. Maar een begin maken; je gedachten toetsen aan wat anderen schreven kan geen kwaad. Want ik wil niet als een volslagen nitwit overkomen met wat ik schrijf.

  2. Schrijven anderen er niet beter over?
    Dat kan ik beter aan de lezer overlaten. Ik denk dat ik wel dingen kan toevoegen. Dingen combineren. Dingen die ik van buiten de hulpverlening heb geleerd maar die mij hielpen en waar anderen dus misschien ook iets aan hebben.

  3. Ben ik wel deskundig op dit gebied?
    Mijn hulpverleners hebben jaren gestudeerd om hun kennis op doen en toetsen die nu steeds in de praktijk. Wie ben ik dan om hen als leek de les te lezen?

  4. Wil ik het wel alleen schrijven want zie vorige punt?
  5. Mijn eigen sausje over bepaalde problemen is leuk maar alleen als iets wetenschappelijk klopt.
    Vier en vijf doe ik samen. Als er een deskundige meeleest weet ik in ieder geval zeker dat ik geen onzin opschrijf. Maar waar vind ik die deskundige?
  6. Wat voor mij helpt, hoeft dat voor jou niet te doen; het kan zelfs misgaan.
    Sommige dingen die ik leerde en uitprobeerde, werkten in eerste instantie niet zoals ik gehoopt had; het liep ook een keer mis, al lag dat waarschijnlijk niet aan datgene wat ik probeerde. Maar als het voor mij al niet altijd goed gaat, wie ben ik dan om het allemaal op te schrijven zodat een ander er ook nog eens mee de mist in kan gaan? En misschien zelfs wel ziek van kan worden. Wat dat betreft is begeleiding door experts toch belangrijk, denk ik.
  7. Zit er wel iemand op te wachten? En wie is dat dan?
    Schrijf ik voor lotgenoten of voor experts?

  8. Is een boek überhaupt een goed middel om de doelgroep te bereiken. Of zouden e-learning of zoals dat vroeger ging, klassikaal, een betere optie zijn?
    Twintig jaar geleden zat ik ook niet op een boek te wachten maar nu ik door schade en schande wijzer ben geworden misschien wel. Maar afgezien daarvan. Niet iedereen is zo’n lezer en het lijkt me de moeite uit te zoeken hoe die vermoedelijk grote groep toch te bereiken.

  9. Hoor je geen boek te vertalen? Zie hiernaast of www.biggles.nl.
  10. Heb je niet al genoeg hobby’s?
  11. Heb je niet ook nog een baan en veel reistijd met dito overstapmomenten?

Zo kan ik nog wel even doorgaan maar elf is een mooi getal.

Geen boek dus, maar wat wel?

Een boek wordt het (nog) niet maar ik ben al wel begonnen. Dat doe ik altijd met een soort samenvatting. In dit geval met een lijst van alles wat ik in de afgelopen jaren heb geleerd over mijn beperkingen en nog wil leren. En die lijst kan ik weer bespreken met mijn hulpverleners zodat zij (en hun cliënten) er hun voordeel mee kunnen doen als er iets interessants tussen staat.

~~~

Afbeelding van DarkWorkX via Pixabay.

Wandelen

Linkerschoen binnenkant

Gisteren 11,5 kilometer gewandeld, hoewel mijn stappenteller drie kilometer meer aangaf dan de informatieborden bij de Schadijkse bossen. Dat komt wel vaker voor: mijn stappenteller denkt vaker dat ik meer gewandeld heb dan volgens de routebeschrijving het geval is.

Misschien heeft het ermee te maken dat ik moeite heb de ene voet voor de andere te zetten. Nou is dat dat wel de meest basale definitie die je kunt geven van wandelen of lopen: de ene voet voor de andere zetten. Wat ik bedoel is dat bij lopen de linkervoet voorbij de rechtervoet wordt gezet en daarna de rechter voorbij de linker. Voor mij is dat iets gecompliceerder. Vanwege mijn handicap komt mijn rechtervoet bij het neerzetten meestal slechts op gelijke hoogte met de linker. Mijn stappen zijn daardoor waarschijnlijk kleiner dan de instelling van de stappenteller. Zeg dat ik links, rechts één meter twintig vooruit zou moeten volgens de stappenteller. Maar doordat ik mijn rechtervoet niet voorbij de linker zet, kom ik maar tot één meter afstand. Willekeurige cijfers maar het idee is hopelijk duidelijk: ik leg met mijn stappen in werkelijkheid minder afstand af dan de stappenteller ‘denkt’ en daardoor zijn mijn wandelingen vaak langer dan ze op papier zouden moeten zijn.

Het maakt me verder niet uit; ik geniet van het wandelen; de omgeving, de natuur en ik zou bij wijze van spreke elke dag wel een wandeling van 11,5 kilometer willen maken. Dat is wat overdreven maar op zaterdag: heerlijk en als dagelijks rondje een uur door het bos of door het dorp. Goed te doen en ook genieten.

En dan te bedenken dat ik vroeger – op de Mytylschool – moeite had met lopen. Achteraf denk ik dat dat kwam doordat ik orthopedische schoenen had en heb en het ongeveer twee tot drie maanden duurt voor die af zijn. Als je dan in de groei bent, loop je door die vertraging regelmatig op schoenen die je eigenlijk al niet meer goed passen. Later gingen de onstuimige groeistuipen eruit en begon ik makkelijker en meer te lopen.

Lopen ging me makkelijk af, maar het werd pas vijf jaar geleden een echt dagelijkse gewoonte. Nooit spijt van gehad. Met mijn orthopedische schoenen loop ik dus heel wat af. Maar alleen lopen: voor hardlopen zijn het iets te lompe kistjes. Maar ik heb ook geen behoefte aan hardlopen trouwens. Ik struikel nogal makkelijk. Gelukkig blijft het op gemiddeld één keer per jaar na bij bijna struikelen. Maar zou ik harder lopen dan is het risico op vallen natuurlijk iets groter, net als de kans op harder vallen.

Nee, laat mij maar lekker wandelen.